aanvaarden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·vaar·den
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanvaarden
aanvaardde
aanvaard
zwak -d volledig

Werkwoord

aanvaarden

  1. overgankelijk beginnen, ondernemen
    • De rustige man had geen behoefte om weer een nieuwe reis te aanvaarden. 
  2. overgankelijk in bezit ontvangen, aannemen
    • De leraar aanvaardt het cadeau dat de leerlingen hem wilden geven. 
  3. overgankelijk te dulden achten, aanvaardbaar achten
    • Na een lange periode van verzet aanvaardde ze het verlies van haar kind. 
    • Dit onrecht is moeilijk te aanvaarden. 
  4. overgankelijk op zich nemen
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.