aanvaarden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·vaar·den
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanvaarden
aanvaardde
aanvaard
zwak -d volledig

Werkwoord

aanvaarden

  1. (overgankelijk) beginnen, ondernemen
  2. (overgankelijk) in bezit ontvangen, aannemen
  3. (overgankelijk) te dulden achten, aanvaardbaar achten
    Dit onrecht is moeilijk te aanvaarden.
  4. (overgankelijk) op zich nemen
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen