aanvaarden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·vaar·den
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanvaarden
aanvaardde
aanvaard
zwak -d volledig

Werkwoord

aanvaarden

  1. (overgankelijk) beginnen, ondernemen
    De rustige man had geen behoefte om weer een nieuwe reis te aanvaarden.
  2. (overgankelijk) in bezit ontvangen, aannemen
    De leraar aanvaardt het cadeau dat de leerlingen hem wilden geven.
  3. (overgankelijk) te dulden achten, aanvaardbaar achten
    Na een lange periode van verzet aanvaardde ze het verlies van haar kind.
    Dit onrecht is moeilijk te aanvaarden.
  4. (overgankelijk) op zich nemen
    Hij aanvaardde de functie van burgemeester.
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen