aantikken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·tik·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aantikken
tikte aan
aangetikt
zwak -t volledig

Werkwoord

aantikken

  1. (sport) iemand of iets even verplicht tikken
  2. flink oplopen (van kosten)

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.