aanhollen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

0:30 kinderen komen aanhollen
Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·hol·len
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

aanhollen [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanhollen

aangehold
zwak -d volledig
  1. rennend naderen; met hollende vaart aansnellen
    • Nee, dan mevrouw Dubois. Zij krijgt dagelijks fysiotherapie en massage. Plus natuurlijk de allerbeste medische zorg. Ze hoeft maar te hoesten en de dokter komt aanhollen. Mevrouw Dubois ziet er dan ook stralend uit. Ze staat erop ons mee te nemen naar het restaurant. „Net een nieuwe chef”, glundert ze. „Uit Florence.” Mijn vriendin vertelt dat haar kinderen hier vaak komen dineren, zo goed is het eten. „We logeren dan in het bijbehorende vijfsterrenhotel, zodat we haar nergens mee belasten.”[2] 

Gangbaarheid

78 % van de Nederlanders;
89 % van de Vlamingen.

Verwijzingen