aanblazen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·bla·zen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanblazen
blies aan
aangeblazen
klasse 7 volledig

Werkwoord

aanblazen

  1. overgankelijk (van een vuur of een oven) aanwakkeren, door erop te blazen of door lucht aan te voeren
    • De smeltovens worden aangeblazen met hete lucht. 
  2. overgankelijk (muziek) (van een blaasinstrument) doen klinken, door er op de juiste manier in te blazen
    • Het aanblazen van een dwarsfluit is bepaald niet eenvoudig. 
Vertalingen

Gangbaarheid

92 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.