Naar inhoud springen

aandurven

Uit WikiWoordenboek
  • aan·dur·ven
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aandurven
durfde aan
aangedurfd
zwak -d volledig

aandurven

  1. overgankelijk de moed hebben om te beginnen met, durven te doen
    • Er zijn weinig mensen die het aandurven om hun pc onder te brengen in een kast die ze zelf ontworpen en gebouwd hebben. 
     Op haar derde dag op de finca kreeg Teresa koorts. Ze lag in bed en mompelde almaar: 'Bist du es? Bist du es?' Olive kon alleen maar haar voorhoofd deppen en hopen dat een dokter het zou aandurven om te komen.[1]
99 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[2]
  1. Jessie Burton (vert.Marja Borg)
    “De muze” (2017), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024574704
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be