aanspreken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·spre·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanspreken


sprak aan


aangesproken


klasse 4 volledig

Werkwoord

aanspreken

  1. toespreken
    De verlegen man durfde het mooie meisje niet aan te spreken op het feeestje.
  2. instemming of weerklank wekken
    Hoewel het misschien heel goede plannen waren, het sprak de meeste mensen niet aan.
  3. verantwoording of opheldering vragen
    Ik sprak de vernielzuchtige jongeren aan op hun gedrag, maar ze voelden zich niet verantwoordelijk voor de schade die zij hadden veroorzaakt.
  4. in rechten aanspreken
    Ik werd door de tegenpartij aangesproken voor de schade, maar die werd gelukkig betaald via de aansprakelijkheidsverzekering.
  5. beginnen uit de voorraad te gebruiken
    Er waren geen geopende melkpakken meer dus sprak ik een nieuw pak aan.
Spreekwoorden
  • in rechte aanspreken: voor het gerecht dagen
Afgeleide begrippen
Vertalingen




Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl