aanspreken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·spre·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanspreken
sprak aan
aangesproken
klasse 4 volledig

Werkwoord

aanspreken

  1. toespreken
    • De verlegen man durfde het mooie meisje niet aan te spreken op het feeestje. 
  2. instemming of weerklank wekken
    • Hoewel het misschien heel goede plannen waren, het sprak de meeste mensen niet aan. 
  3. verantwoording of opheldering vragen
    • Ik sprak de vernielzuchtige jongeren aan op hun gedrag, maar ze voelden zich niet verantwoordelijk voor de schade die zij hadden veroorzaakt. 
  4. in rechten aanspreken
  5. beginnen uit de voorraad te gebruiken
    • Er waren geen geopende melkpakken meer dus sprak ik een nieuw pak aan. 
Spreekwoorden
  • in rechte aanspreken: voor het gerecht dagen
Afgeleide begrippen
Vertalingen




Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl