Naar inhoud springen

aanvliegen

Uit WikiWoordenboek
  • aan·vlie·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanvliegen
vloog aan
aangevlogen
klasse 2 volledig

aanvliegen

  1. ergatief vliegend naderen
    • Er kwam een vlucht wulpen aangevlogen die vlak voor onze neus neerstreek. 
     ' Er komt een gaai aanvliegen, hij strijkt neer op de vensterbank.[1]
     Dan hoor ik plotseling het geluid van een helikopter. Hij komt aanvliegen, zijn wieken waaien boven mijn hoofd. Het zoemt en brult tot hij landt, vlak naast me op het kussen. Ik open mijn ogen en schrik me de tandjes. Het is een mot, zijn vleugels vouwen in elkaar.[2]
  2. overgankelijk onstuimig afkomen op
    • Onze anders zo vriendelijke hond vloog de inbreker genadeloos aan. 
98 %van de Nederlanders;
94 %van de Vlamingen.[3]
  1. “Onder buren” (2021), Ambo/Anthos uitgevers op Wikipedia, ISBN 9789026356186
  2. Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be