aankunnen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·kun·nen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aankunnen
kon aan
aangekund
onregelmatig volledig

Werkwoord

aankunnen

  1. (absoluut) iets of iemand de baas kunnen zijn
    Hij had zijn oudere broertje nooit aangekund, maar was nu duidelijk de sterkere.
    Hij kon de grote hoeveelheid werk met gemak aan.
  2. (absoluut) een kledingstuk met fatsoen kunnen dragen
    Vorig jaar had ze deze dure jurk nog aangekund, maar nu was die volledig uit de mode.
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: iets aankunnen
Vertalingen