aankunnen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·kun·nen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aankunnen
kon aan
aangekund
onregelmatig volledig

Werkwoord

aankunnen

  1. absoluut iets of iemand de baas kunnen zijn
    • Hij had zijn oudere broertje nooit aangekund, maar was nu duidelijk de sterkere. 
    • Hij kon de grote hoeveelheid werk met gemak aan. 
  2. absoluut een kledingstuk met fatsoen kunnen dragen
    • Vorig jaar had ze deze dure jurk nog aangekund, maar nu was die volledig uit de mode. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: iets aankunnen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.