aanleunen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·leu·nen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanleunen
leunde aan
aangeleund
zwak -d volledig

Werkwoord

aanleunen

  1. tegen iets leunen
Spreekwoorden
  • zich iets laten aanleunen: zich iets laten welgevallen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.