aandraaien

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·draai·en
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aandraaien
draaide aan
aangedraaid
zwak -d volledig

Werkwoord

aandraaien

  1. overgankelijk vaster draaien
    • Ik heb het boutje iets te strak aangedraaid. 
  2. overgankelijk iets met een draaiknop in werking stellen
    • Hij draaide de radio aan, stak een sigaret op en begon eten klaar te maken. [1]
Antoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • de duimschroeven aandraaien
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. blz 113, Anekdotes uit een zijstraat
    door J. Bernlef
    Uitgegeven door Querido, 1978 ISBN 90-214-5172-7