aanslaan

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·slaan
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanslaan
sloeg aan
aangeslagen
klasse 6 volledig

Werkwoord

(scheidbaar)
aanslaan

  1. even tegen iets slaan
  2. op militaire wijze groeten
    De jonge soldaat moest bij iedere meerdere die hij tegenkwam de hand tegen de klep van zijn pet aanslaan.
  3. in beslag nemen
  4. gewaardeerd worden
    Het nieuwe product sloeg goed aan er werden direkt enorme aantallen verkocht.
  5. aanplakken
  6. ten verkoop bieden
  7. waarschuwend blaffen
    De grote boerderijhond sloeg aan toe we het erf opkwamen.
  8. beginnen te lopen
    Na vele startpogingen sloeg de motor eindelijk aan.
  9. (van een kogel)de grond raken
  10. op een toets slaan
    Toe we de toetsen van de oude piano aansloegen kwamen er valse tonen uit.
  11. beslagen worden
  12. (juridisch) (financieel) belasten, belasting heffen
    Toen de Nederlandse regering rijke Nederlanders aansloeg met hoge vermogensbelastingen zijn de rijksten naar België gevlucht en leven daar nu verder als Nederbelg.
  13. wortel schieten
    Het duurde lang voordat de kiemen van de plantjes aansloegen
Vertalingen