WikiWoordenboek:Bijvoeglijk naamwoord

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Een bijvoeglijk naamwoord of adjectief is een naamwoord zoals mooi dat wordt gebruikt om een speciale eigenschap van een ander naamwoord, het zelfstandig naamwoord, bijvoorbeeld huis te benoemen.

Attributief en predicatief[bewerken]

Dit benoemen kan attributief gebeuren:

  • Het mooie huis.

Maar het kan ook gebeuren via een koppelwerkwoord, zoals zijn. Dit gebruik wordt predicatief genoemd:

  • Het huis is mooi.

Zelf kunnen bijvoeglijke naamwoorden nader bepaald worden middels een bijwoord, bijvoorbeeld zeer:

  • Het zeer mooie huis.
  • Het huis is zeer mooi.

Vormen in het Nederlands[bewerken]

In het Nederlands hebben bijvoeglijke naamwoorden meestal drie vormen, een onverbogen, een verbogen vorm en een partitieve vorm.

mooi - mooie - moois

Verder kennen veel bijvoeglijke naamwoorden trappen van vergelijking.

mooi - mooier - mooist (- allermooist)

Onverbogen of verbogen[bewerken]

De onverbogen vorm wordt gebruikt als predicaat:

  • Het huis is mooi.

Attributief wordt meestal de verbogen vorm gebruikt:

  • Het mooie huis staat op de hoek.

Een uitzondering wordt gevormd door onbepaalde onzijdige woorden in het enkelvoud

  • Er staat een mooi huis op de hoek.

Ook zelfstandig gebruik vereist de verbogen vorm:

  • Dat zijn hele mooie.

Alleen indien het woord naar personen verwijst krijgt het een -n in het meervoud

  • De mooien worden filmster, de lelijkerds regisseur.

Partitief[bewerken]

De partitiefvorm op -s wordt alleen aangetroffen na woorden als veel, niets, iets, wat enz.:

  • Veel moois is er niet te zien.
  • We kunnen hier niets moois vinden.
  • Ik was wel op zoek naar iets moois.
  • Het is me wat moois!

Trappen van vergelijking[bewerken]

Daarnaast kennen vele, maar lang niet alle bijvoeglijke naamwoorden trappen van vergelijking:

voorbeeld: mooi - mooier - mooist
in gewoon Nederlands: stellend - vergrotend - overtreffend
met vakterm uit Latijn: positief - comparatief - superlatief

Stellende trap[bewerken]

De stellende trap heeft de standaardvorm van het bijvoeglijk naamwoord, zonder uitgang; voor een verbogen vorm komt daar de uitgang -e achter, voor de partitief een -s.

  • De grote stoel is net zo mooi als de kleine stoel.
  • Het zijn even mooie stoelen.
  • Deze stoel is iets moois.


De stellende trap wordt gebruikt om aan te geven dat twee verschillende dingen in één opzicht hetzelfde zijn. Deze vergelijkingen gebruiken eerst de bijwoorden "net zo" of "even", gevolgd door het bijvoeglijk naamwoord en het voegwoord "als".

  • De grote stoel is even mooi als de kleine stoel.
  • De grote stoel is net zo mooi als de kleine stoel.

In zinnen zonder "als" duidt "even" op een onderlinge vergelijking en "net zo" op een gezamenlijke vergelijking met een derde ding.

  • De oude stoelen zijn even mooi. (vergeleken met elkaar)
  • De nieuwe stoelen zijn net zo mooi. (vergeleken met de oude stoelen in de voorgaande zin)


In gangbare vergelijkingen wordt "net zo" verkort tot "zo" of zelfs weggelaten.

  • Zij was net zo mooi als Cleopatra.
  • Zij was zo mooi als Cleopatra.
  • Zij was mooi als Cleopatra.

Vergrotende trap[bewerken]

De vergrotende trap wordt gevormd met de uitgang -er.

  • mooi - mooier

Met het oog op de uitspraak kent deze regel een paar aanpassingen:

  1. Als het woord eindigt op -r, wordt er een -d- tussengevoegd.
    • ver - verder
  2. Als het woord eindigt op een enkele medeklinker, voorafgegaan door een enkele, korte klinker, wordt die medeklinker verdubbeld.
    • dom - dommer
  3. Als het woord eindigt op een enkele medeklinker, voorafgegaan door een dubbele klinker, wordt dat een enkele klinker
    • laat - later
  4. Als het woord eindigt op een onbeklemtoonde -e ("sjwa"), blijft van de uitgang alleen -r over
    • perfider

Daarnaast zijn er woorden met een onregelmatig gevormde vergrotende trap.

  • goed - beter


Sommige bijvoeglijke naamwoorden kennen geen vergrotende trap, omdat de uitspraak lastig is.

  • passé

Bijvoeglijke naamwoorden die nog als (on-)voltooid deelwoord van een werkwoord worden gezien kennen geen vergrotende trap.

  • verborgen

Sommige bijvoeglijke naamwoorden kennen geen vergrotende trap, omdat de uitgedrukte eigenschap alleen maar wel of niet aanwezig kan zijn.

  • waterpas

Dit geldt ook voor stofnamen:

  • houten


De vergrotende trap kent net als de stellende een onverbogen, een verbogen en een partitieve vorm.

  • Jouw stoel is mooier dan mijn stoel.
  • De mooiere stoel is duur.
  • Een stoel is iets mooiers dan een kruk.


Bij vergelijkingen met behulp van een vergrotende trap wordt in traditioneel verzorgd taalgebruik het voegwoord "dan" gebruikt,

  • Jouw stoel is mooier dan mijn stoel.

Het gebruik van "als" in plaats van "dan" komt zoveel voor, dat die in hedendaagse woordenboeken een plaats heeft gekregen.

  • Jouw stoel is mooier als mijn stoel.


Een andere manier om de overtreffende trap uit te drukken is met het bijwoord "meer".

  • Hij is beleefder dan zijn zoon.
  • Hij is meer beleefd dan zijn zoon.

Overtreffende trap[bewerken]

De overtreffende trap wordt gevormd met de uitgang -st.

  • mooi - mooist

Als het woord op een sisklank eindigt (-s, -sch), blijft van de uitgang alleen -t over.

  • De eigenaar was zelf het boost.
  • Deze oplossing is het logischt.

Als het woord eindigt met -st, -sd of -sk, wordt de uitgang -st niet gebruikt. In deze gevallen wordt de overtreffende trap omschreven met "meest".

  • Zwarte kleding is bij een rouwdienst het meest gepast.
  • Arie is bedeesd, Ben is bedeesder, maar Cees is het meest bedeesd.

Ook voor woorden die eindigen op -s of -sch krijgt het gebruik van "meest" dikwijls de voorkeur.

  • De eigenaar was zelf het meest boos.
  • Deze oplossing is het meest logisch.

Dit geldt ook bij een groot aantal andere bijvoeglijke naamwoorden, zoals veel woorden die geen vergrotende trap kennen.


De overtreffende trap wordt altijd voorafgegaan door "de", "het" of een bezittelijk voornaamwoord.

  • De mooiste stoel is erg duur.
  • Deze stoel is de mooiste.
  • Dit kind is het mooiste.
  • Deze stoel is het mooiste in een modern ingerichte kamer.
  • Van alle stoelen in de kamer is deze het mooist.
  • In deze moderne kamer is deze stoel op zijn mooist.
  • Mijn mooiste stoel is stuk gegaan.


De overtreffende kent geen partitief, maar alleen een onverbogen en een verbogen vorm.

  • Deze stoel is het mooist.
  • Dit is de mooiste stoel


De overtreffende trap wordt op twee manieren gebruikt: 1. om de hoogste graad van een eigenschap aan te geven

  • Dit zijn de mooiste stoelen in de collectie. (er zijn daarin geen mooiere)

2. om te benadrukken dat een eigenschap in hoge mate aanwezig is

  • In deze collectie vind je de mooiste stoelen. (het zijn buitengewoon mooie stoelen; het wil niet zeggen dat er geen mooiere bestaan)

Verheffende trap[bewerken]

Bij woorden die een overtreffende trap kennen, bestaat ook nog een vorm met het voorvoegsel "aller-". Omdat dit voorvoegsel nog herkenbaar is als de oude genitief meervoud van "al", is er hier naar vorm geen trap van vergelijking, maar naar inhoud wordt wel de term "verheffende trap" of "elatief" gebruikt.

  • de allermooiste stoel

Deze vorm kan bij sommige woorden twee betekenissen hebben, die door een verschil in klemtoon worden aangegeven:

  1. benadrukken van het overtreffende karakter:
    • het alleraardigste meisje
  2. benadrukken van de eigenschap, zonder het overtreffende karakter:
    • het alleraardigste meisje

In de eerste betekenis komt in het spraakgebruik nog een verdubbeling van het voorvoegsel voor om het overtreffende karakter nog verder te benadrukken:

  • de aller-allermooiste stoel

Overmatige trap[bewerken]

Sommige talen, bijvoorbeeld het Javaans, kennen een vorm die "overmatige trap" of "excessief" heet. In het Nederlands zetten we dan het bijwoord "te" ervoor:

  • te mooi

Predicaatswoorden[bewerken]

Sommige naamwoorden worden alleen als predicaat gebruikt en kennen maar een vorm, bijv.

Stofadjectieven[bewerken]

Deze naamwoorden drukken een materiaal uit waaruit iets bestaat, zoals ijzeren of papieren. Zij hebben ook maar een vorm in de regel met een uitgang -en en worden alleen attributief gebruikt. Als predicaat wordt gewoonlijk een omschrijving met het voorzetsel van gebruikt:

  • Dit is een ijzeren pan
  • Deze pan is van ijzer.

Andere talen[bewerken]

In flecterende talen worden bijvoeglijke naamwoorden verbogen naar genus, getal, en naamval. In sommige talen zoals het Duits komt daar nog bij dat er verschillende verbuigingen zijn (sterk, zwak en gemengd) afhankelijk van de aanwezigheid van andere bepalende woorden zoals bepaalde of onbepaalde lidwoorden. In deze talen kan een bijvoeglijk naamwoord een aanzienlijk aantal vormen bezitten.

In het Russisch bijvoorbeeld zijn er zes naamvallen ieder voor mannelijk, vrouwelijk, onzijdig en meervoud, en vier 'korte' vormen voor predicatief gebruik, hoewel niet alle 28 vormen verschillend zijn, zie bijv. лёгкий.

In de Romaanse talen zijn er in de regel vier vormen, die de contrasten mannelijk/vrouwelijk en enkelvoud/meervoud weerspiegelen. Anders dan in het Nederlands is er geen verschil tussen predicatief en attributief gebruik.

Positie[bewerken]

Er zijn talen die het bijvoeglijk naamwoord vóór het zelfstandig naamwoord zetten, zoals het moderne Nederlands of ook erachter zoals gewoonlijk in het Frans. Dit verschilt sterk van taal tot taal. Ook het Middelnederlands bijvoorbeeld plaatste het adjectief er vaak achter, maar liet het dan onverbogen.

In een taal als Perzisch dat geen geslacht of naamval meer kent wordt het achtergeplaatste adjectief verbonden met het naamwoord ervoor door ezafe, een korte verbindingsklinker. Bijvoorbeeld "mard" (man) "bozorg" (groot) geeft "mard-e-bozorg": een grote man.