aanblijven

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·blij·ven
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanblijven
bleef aan
aangebleven
klasse 1 volledig

Werkwoord

(scheidbaar)
aanblijven

  1. ergatief in dezelfde functie blijven
    • Nadat het schandaal bekend werd kon de directeur niet langer aanblijven. 
  2. ergatief blijven branden
    • Het vuur bleef tot diep in de nacht aan. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
97 % van de Vlamingen.