aanvoelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·voe·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanvoelen
voelde aan
aangevoeld
zwak -d volledig

Werkwoord

aanvoelen

  1. overgankelijk gevoel hebben voor, bij intuïtie begrijpen
    • Hij voelt bij het schaken altijd aan wat zijn tegenstander gaat doen. 
  2. overgankelijk met het gevoel begrijpen
    • Aanvoelen dat iemand bang is. 
  3. overgankelijk het genoemde gevoel geven
    • De hand voelt koud aan. 
    • Wat voelt je huid lekker zacht aan zei de verliefde man tegen zijn vrouw. 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.