aanrukken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·ruk·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanrukken
rukte aan
aangerukt
zwak -t volledig

Werkwoord

aanrukken

  1. komen
  2. aanrukken op: naderen

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.