aankrijgen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·krij·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aankrijgen
kreeg aan
aangekregen
klasse 1 volledig

Werkwoord

aankrijgen

  1. absoluut aan het lichaam krijgen (kledingstuk)
    • Hij kreeg die broek niet meer aan. 
  2. absoluut bereiken dat iets brandt
    • Ondanks de regen kregen ze het vuur vrij snel aan. 

Gangbaarheid