aangetrouwd

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·ge·trouwd
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen aangetrouwd
verbogen aangetrouwde
partitief aangetrouwds

Bijvoeglijk naamwoord

aangetrouwd

  1. (familie) aangehuwd; door het huwen lid worden van een familie
    • De aangetrouwde familieleden worden ook wel de koude tak genoemd. 
    • De man van mijn zus is een aangetrouwd familielid en wordt wel zwager genoemd. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.