aankleven

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·kle·ven
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aankleven
kleefde aan
aangekleefd
zwak -d volledig

Werkwoord

aankleven

  1. aanhangen, eigen zijn
  2. overgankelijk door lijmen bevestigen
    • Deze mini IR-zender wordt met zijn unieke zelfklevende houder tegen de IR-ontvanger van een AV-apparaat aangekleefd. 

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.