aanstippen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·stip·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanstippen
stipte aan
aangestipt
zwak -t volledig

Werkwoord

aanstippen

  1. aanmerken
  2. terloops vermelden
  3. (een wonde) vluchtig met penseel of watje bewerken

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.