Naar inhoud springen

aanvallen

Uit WikiWoordenboek
  • aan·val·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanvallen
/'an.vɑ.lə(n)/
viel aan
/vil 'an/
aangevallen
/'an.ɣə.vɑ.lə(n)/
klasse 7 volledig

aanvallen

  1. overgankelijk aangrijpen
  2. overgankelijk het initiatief nemen in het gevecht, aantasten
    • In mei 1940 werden de Lage Landen aangevallen. 
     Als dat zo was, dan had zijn foto een duidelijke boodschap: de valk gaat aanvallen en het lam volgt, oftewel, er is een oorlog op komst en de meute doet mee.[1]
     Het is waarschijnlijk mede daarom dat de aanvallen van de orthodoxe theologen uit Leuven, Parijs en Spanje hem zo diep raakten.[2]
  3. ~ op: kritiek geven op
Onderstaande vertalingen dienen nagekeken te worden en omgezet in de bovenstaande tabellen. Nummers na de vertalingen komen niet noodzakelijk overeen met de opgegeven definities. Voor meer uitleg zie WikiWoordenboek:Hoe vertalingen nakijken.

deaanvallenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord aanval
     In die zin heb ik in tegenstelling tot veel anderen het land niet verlaten om te werken maar om van die manische aanvallen af te komen.[3]
     Ze gaf over en kreeg aanvallen van diarree.[4]
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[5]