aanplant

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·plant
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van het ww aanplanten
enkelvoud meervoud
naamwoord aanplant aanplanten
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

aanplant m [1]

  1. het aanplanten
  2. het aangeplante
Hyponiemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
aanplanten

aanplant

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanplanten
    • ... dat ik aanplant. 
  2. (in een bijzin) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanplanten
    • ... dat jij aanplant. 
  3. (in een bijzin) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanplanten
    • ... dat hij aanplant. 

Gangbaarheid

94 % van de Nederlanders;
77 % van de Vlamingen.

Verwijzingen