aanbellen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·bel·len
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanbellen
belde aan
aangebeld
zwak -d volledig

Werkwoord

aanbellen

  1. bij iemand (aan de deur) bellen, op de deurbel van een huis drukken
  2. aan de deurbel trekken om die te laten rinkelen
    • Nog voor ze kunnen aanbellen, zwaait de deur open. 
    • Als je wilt dat iemand de voordeur voor je openmaakt moet je aanbellen. 
Verwante begrippen
  • belletje trekken: aanbellen en dan hard wegrennen zodat iemand voor niets de deur opent, een vorm van plagen door kinderen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.