aanbellen
Uiterlijk
- aan·bel·len
- samenstelling van aan vz en bellen ww
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| aanbellen |
belde aan |
aangebeld |
| zwak -d | volledig | |
aanbellen
- bij iemand (aan de deur) bellen, op de knop van de elektrische deurbel van een huis drukken
- Nog voor ze kunnen aanbellen, zwaait de deur open.
- Als je wilt dat iemand de voordeur voor je openmaakt moet je aanbellen.
- ▸ Voor Churchill-laan 270 zette hij de fiets vast, draaide zich om, liep naar de deur, en het was, ondanks alles, de gewoonste zaak van de wereld toen hij zonder aarzeling aanbelde.[1]
- aan de deurbel trekken om die te laten rinkelen
- Nog voor ze kunnen aanbellen, zwaait de deur open.
- Als je wilt dat iemand de voordeur voor je openmaakt moet je aanbellen.
- belletje trekken: aanbellen en dan hard wegrennen zodat iemand voor niets de deur opent, een vorm van plagen door kinderen
- Het woord aanbellen staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "aanbellen" herkend door:
| 100 % | van de Nederlanders; |
| 99 % | van de Vlamingen.[2] |
- ↑ Safae el Khannoussi“Oroppa” (2024), Uitgeverij Pluim
, ISBN 9789493339125 - ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 9
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 3 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- Samenstelling in het Nederlands
- Zwak werkwoord (-d) in het Nederlands
- Werkwoord in het Nederlands
- Scheidbaar werkwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 100 %
- Prevalentie Vlaanderen 99 %