Naar inhoud springen

aanbellen

Uit WikiWoordenboek
  • aan·bel·len
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanbellen
belde aan
aangebeld
zwak -d volledig

aanbellen

  1. bij iemand (aan de deur) bellen, op de knop van de elektrische deurbel van een huis drukken
    • Nog voor ze kunnen aanbellen, zwaait de deur open. 
    • Als je wilt dat iemand de voordeur voor je openmaakt moet je aanbellen. 
     Voor Churchill-laan 270 zette hij de fiets vast, draaide zich om, liep naar de deur, en het was, ondanks alles, de gewoonste zaak van de wereld toen hij zonder aarzeling aanbelde.[1]
  2. aan de deurbel trekken om die te laten rinkelen
    • Nog voor ze kunnen aanbellen, zwaait de deur open. 
    • Als je wilt dat iemand de voordeur voor je openmaakt moet je aanbellen. 
  • belletje trekken: aanbellen en dan hard wegrennen zodat iemand voor niets de deur opent, een vorm van plagen door kinderen
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[2]
  1. Safae el Khannoussi
    “Oroppa” (2024), Uitgeverij Pluim op Wikipedia, ISBN 9789493339125
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be