aanstoken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·sto·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanstoken
stookte aan
aangestookt
zwak -t volledig

Werkwoord

aanstoken

  1. tot kwaad aanzetten

Gangbaarheid

66 % van de Nederlanders
90 % van de Vlamingen.