aanspannen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·span·nen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanspannen
spande aan
aangespannen
gemengd volledig

Werkwoord

aanspannen

  1. overgankelijk voorspannen
    • Toen het hard begon te waaien moesten we de scheerlijnen van de tent extra aanspannen. 
  2. overgankelijk (een rechtszaak) beginnen
    • Als u niet binnen 8 dagen betaalt moet ik een rechtszaak tegen u aanspannen. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • [2] Tegen iemand een rechtszaak aanspannen.

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.