aanspannen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·span·nen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanspannen
spande aan
aangespannen
gemengd volledig

Werkwoord

aanspannen

  1. (overgankelijk) voorspannen
    Toen het hard begon te waaien moesten we de scheerlijnen van de tent extra aanspannen.
  2. (overgankelijk) (een rechtszaak) beginnen
    Als u niet binnen 8 dagen betaalt moet ik een rechtszaak tegen u aanspannen.
Uitdrukkingen en gezegden
  • [2] Tegen iemand een rechtszaak aanspannen.