aanklikken

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·klik·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanklikken
klikte aan
aangeklikt
zwak -t volledig

Werkwoord

aanklikken

  1. overgankelijk iets met een klik-geluid (van bijvoorbeeld de drukknop van een computermuis) aanraken
    • Als je de link aanklikt wordt een nieuwe pagina geopend. 
  2. overgankelijk een apparaat aanzetten door het met een klikgeluid omzetten van een schakelaar
    • Zodra ik binnenstapte zocht ik naar een lichtknopje en klikte het licht aan. 
  3. ergatief met een klik-geluid aanspringen
    • Het licht op de gang klikte aan. 

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.