aanbevelen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanbevelen
beval aan
aanbevolen
klasse 4 volledig
Woordafbreking
  • aan·be·ve·len
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

aanbevelen

  1. overgankelijk over iets of iemand bij iemand (positief) vertellen en adviseren om datgene/diegene te gebruiken/in te schakelen
    • Ik kan je Jan aanbevelen, want hij is een kundig en betrouwbaar boekhouder. 
  2. overgankelijk aanprijzen
    • Ik kan je deze oude auto niet aanbevelen want hij heeft veel gebreken. 
  3. (verouderd) toevertrouwen
Synoniemen
  • [1]: recommanderen
Verwante begrippen
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
iets heel sterk aanbevelen
  • [2]: zich aanbevolen houden voor
belangstelling en interesse hebben voor
  • [3]: iemand een geheim aanbevelen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen