aangorden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·gor·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aangorden
gordde aan
aangegord
zwak -d volledig

Werkwoord

aangorden

  1. overgankelijk iets met een riem of band om het middel binden
    • Hij kan maar beter zijn spullen aangorden. 
  2. overgankelijk in riemen vastzetten
    • De kinderen moeten goed aangegord worden. 
Uitdrukkingen en gezegden

zich aangorden.

  1. zich gereedmaken (voor de strijd)
Vertalingen

Gangbaarheid

51 % van de Nederlanders
57 % van de Vlamingen.