aanaarden

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·aar·den
Woordherkomst en -opbouw

samenstelling van  aan  en  aarden 

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanaarden
aardde aan
aangeaard
zwak -d volledig

Werkwoord

aanaarden

  1. overgankelijk de grond rondom ophogen, met aarde bedekken
Vertalingen

Gangbaarheid

31 % van de Nederlanders;
38 % van de Vlamingen.