aantrekken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
[1] De magneet trekt het metaal aan.
[4] Een jas aantrekken.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·trek·ken
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aantrekken
trok aan
aangetrokken
klasse 3 volledig

Werkwoord

aantrekken

  1. overgankelijk een kracht uitoefenen die zaken naar zich toe doet bewegen
    De magneet trekt alle ijzerdeeltjes aan.
  2. overgankelijk aanlokken
    De zoete geur trok veel wespen aan.
    Werken in een ziekenhuis trekt me niet aan.
  3. overgankelijk vaster doen sluiten, vastzetten
    Hij trok de handrem goed aan.
    Hij trok het touw goed aan zodat het pakje dicht bleef zitten.
  4. overgankelijk iets ~: kleding aandoen
    Ik ga even iets anders aantrekken.
  5. ergatief een stijgende lijn vertonen
    De economie trok vorig kwartaal flink aan.
  6. wederkerend zich ~ van: zijn gedrag wijzigen naar aanleiding van een uitwendige invloed
    Hij trok zich niets aan van die hoge boete en ging door met veel te hard te rijden.
  7. wederkerig elkaar ~ een attractieve wisselwerking ondergaan
    Volgens de wet van de zwaartekracht trekken twee massa's elkaar aan.
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl