aanrecht

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·recht
enkelvoud meervoud
naamwoord aanrecht aanrechten
verkleinwoord aanrechtje aanrechtjes

Zelfstandig naamwoord

aanrecht o of m

  1. vaste tafel met kastjes langs keukenwand voor zien van een waterbestendig aanrechtblad
    De afwas van gisteren stond nog op het aanrecht.
    Het enige recht van de huisvrouw was vroeger het aanrecht.
Vertalingen

Meer informatie

Werkwoord

vervoeging van
aanrechten

aanrecht

  1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanrechten
    ... dat ik aanrecht.
  2. (in een bijzin) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanrechten
    ... dat jij aanrecht.
  3. (in een bijzin) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aanrechten
    ... dat hij aanrecht.