aanhangen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·han·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanhangen
hing aan
aangehangen
klasse 7 volledig

Werkwoord

aanhangen

  1. inergatief hangend blijven vastzitten
    • Er hing een druppel aan. 
  2. overgankelijk hangend bevestigen
    • Er werd een merkteken aangehangen. 
  3. overgankelijk toegedaan zijn
    • Hij hing de gedachte aan dat Obama niet in de Verenigde Staten geboren was. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • met aanhangend water koken
koken zonder extra water toe te voegen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.