Naar inhoud springen

aanjagen

Uit WikiWoordenboek
  • aan·ja·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanjagen
jaagde aan
joeg aan
aangejaagd
klasse 6

zwak -d
gemengd

volledig

aanjagen

  1. overgankelijk op het lijf jagen (angst)
     Maar het vooruitzicht om helemaal alleen daar boven te slapen joeg mij angst aan.[1]
  2. overgankelijk voortjagen (motor)
  3. overgankelijk harder doen branden
  4. aanmoedigen om meer te presteren, opjutten
     Mensen motiveren is ook een kunst, zeg! Moeten ze één keer om zes uur opstaan voor een ander, één keer een beetje doorstappen, één keer de pauze skippen, en het gesteun en gekreun wat je vervolgens krijgt! Ik ben meer uitgeput van het aanjagen van de groep dan van het beklimmen van die laatste heuvel.[2]
99 %van de Nederlanders;
90 %van de Vlamingen.[3]
  1. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be