aanjagen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·ja·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanjagen
jaagde aan
joeg aan
aangejaagd
klasse 6

zwak -d

volledig

Werkwoord

aanjagen

  1. op het lijf jagen (angst)
  2. voortjagen (motor)
  3. harder doen branden
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
92 % van de Vlamingen.