aankruisen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·krui·sen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aankruisen
kruiste aan
aangekruist
zwak -t volledig

Werkwoord

aankruisen

  1. overgankelijk met een kruisje aanwijzen
    • Hij had de verkeerde stad aangekruist. 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.