aanrijgen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·rij·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanrijgen
reeg aan
aangeregen
klasse 1 volledig

Werkwoord

aanrijgen

  1. overgankelijk aan een draad rijgen
    • Verder zijn er glaskralen groot en klein aangeregen en zilveren kralen. 
  2. overgankelijk vaster rijgen
Vertalingen

Gangbaarheid

95 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.