aanvegen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·ve·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanvegen
veegde aan
aangeveegd
zwak -d volledig

Werkwoord

aanvegen

  1. overgankelijk vegend reinigen
    • Tijdens mijn schooltijd heb ik vaak voor straf het schoolplein moeten aanvegen. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • de vloer aanvegen met iemand
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
86 % van de Vlamingen.