aanwenden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·wen·den
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanwenden
wendde aan
aangewend
zwak -d volledig

Werkwoord

aanwenden

  1. (overgankelijk) gebruikmaken van
    Je kunt deze methode aanwenden om het wiskundige probleem op te lossen.
    Hij wendde zijn autoriteit aan om zijn eigen zin door te drijven.
Verwante begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
aanwennen

aanwenden

  1. (in een bijzin) meervoud verleden tijd van aanwennen
    ...dat wij aanwenden.
    ...dat jullie aanwenden.
    ...dat zij aanwenden.