aandeel

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·deel
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van het werkwoord 'aendelen' [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord aandeel aandelen
verkleinwoord aandeeltje aandeeltjes

Zelfstandig naamwoord

aandeel o

  1. (economie) waardepapier dat de mede-eigendom in het vermogen van een onderneming bewijst
    • Mijn vader heeft een aandeel in dat bedrijf en hoopt een goed dividend te krijgen. 
  2. (economie) persoonlijk aandeel in gemeenschappelijke handelingen of in gemeenschappelijk bezit
  3. gedeelte van iets
    • Dit bedrijf heeft een groot aandeel van de markt in handen en kan dus ook de prijs van haar goederen naar eigen goeddunken opvoeren. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vaste voorzetsels
  • aandeel hebben in
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord aandeel aandele

Zelfstandig naamwoord

aandeel

  1. (economie) aandeel