aanflitsen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·flit·sen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanflitsen
flitste aan
aangeflitst
zwak -t volledig

Werkwoord

aanflitsen

  1. ergatief (gezegd van licht): plotseling gaan branden
    • De zon schijnt volop en als we 30 meter onder grote donkere bomen de grindweg zijn opgereden lijkt het wel of het licht aanflitst in een open kamer omzoomd door hoge beuken en eiken.[1] 

Gangbaarheid

66 % van de Nederlanders;
67 % van de Vlamingen.

Verwijzingen