aanbrengen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·bren·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanbrengen
bracht aan
aangebracht
zwak -cht volledig
naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
aanbrenger
aanbrengster

Werkwoord

aanbrengen

  1. overgankelijk brengen naar
    • Zij bracht de crème aan op haar gezicht. 
  2. toevoegen, invoegen
    • Nadat de zaal was schoongemaakt brachten we de versiering aan. 
  3. werven
    • Tijdens de ledenwerfactie was het de bedoeling dat ieder lid van de vereniging minstens één nieuw lid aanbracht. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie