aanbrengen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·bren·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanbrengen
bracht aan
aangebracht
zwak -cht volledig

Werkwoord

aanbrengen

  1. (overgankelijk) brengen naar
    Zij bracht de crème aan op haar gezicht.
  2. toevoegen, invoegen
    Nadat de zaal was schoongemaakt brachten we de versiering aan.
  3. werven
    Tijdens de ledenwerfactie was het de bedoeling dat ieder lid van de vereniging minstens één nieuw lid aanbracht.
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen