aangrenzend

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·gren·zend
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen aangrenzend
verbogen aangrenzende
partitief aangrenzends

Bijvoeglijk naamwoord

aangrenzend

  1. rechtstreeks grenzend aan iets anders
    Het huis bestaat uit lange gangen met aangrenzende vertrekken.
Synoniemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
aangrenzen

aangrenzend

  1. onvoltooid deelwoord van aangrenzen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.