Naar inhoud springen

aanvangen

Uit WikiWoordenboek
  • aan·van·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanvangen
ving aan
aangevangen
klasse 7 volledig

aanvangen

  1. ergatief beginnen, starten
    • Er was een nieuwe droogteperiode aangevangen. 
    • Het schooljaar zal dit jaar een maand later aanvangen. 
  2. overgankelijk starten
    • We hebben de werkzaamheden meteen aangevangen. 
98 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[2]