aanvangen
Uiterlijk
- aan·van·gen
- In de betekenis van ‘beginnen’ voor het eerst aangetroffen in 1350 [1]
- samenstelling van aan vz en vangen ww
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| aanvangen |
ving aan |
aangevangen |
| klasse 7 | volledig | |
aanvangen
- ergatief beginnen, starten
- Er was een nieuwe droogteperiode aangevangen.
- Het schooljaar zal dit jaar een maand later aanvangen.
- overgankelijk starten
- We hebben de werkzaamheden meteen aangevangen.
- Het woord aanvangen staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.
- In onderzoek uit 2013 van het Centrum voor Leesonderzoek werd "aanvangen" herkend door:
| 98 % | van de Nederlanders; |
| 99 % | van de Vlamingen.[2] |
- ↑ "aanvangen" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
- ↑
Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
Categorieën:
- Woorden in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands van lengte 9
- Woorden in het Nederlands met audioweergave
- Woorden met 3 lettergrepen in het Nederlands
- Woorden in het Nederlands met IPA-weergave
- WikiWoordenboek:Pagina's die ISBN magische koppelingen gebruiken
- Samenstelling in het Nederlands
- Sterk werkwoord klasse 7 in het Nederlands
- Werkwoord in het Nederlands
- Scheidbaar werkwoord in het Nederlands
- Ergatief werkwoord in het Nederlands
- Overgankelijk werkwoord in het Nederlands
- Woordenlijst Nederlandse Taal
- Prevalentie Nederland 98 %
- Prevalentie Vlaanderen 99 %