aanvangen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·van·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanvangen
ving aan
aangevangen
klasse 7 volledig

Werkwoord

aanvangen

  1. ergatief beginnen, starten
    • Er was een nieuwe droogteperiode aangevangen. 
    • Het schooljaar zal dit jaar een maand later aanvangen. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen