aanklagen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
aanklagen aanklagend
aanklacht aangeklaagd
aanklager
aangeklaagde
Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·kla·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanklagen
klaagde aan
aangeklaagd
zwak -d volledig

Werkwoord

aanklagen

  1. overgankelijk, (juridisch) iemands handelingen bij een gerechtelijke instantie aanhangig maken.
    De vechtende mannen werden aangeklaagd door de cafébaas van wie het café was vernield.
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.