aanklagen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

naamwoord van handeling
zelfstandig bijvoeglijk
aanklagen aanklagend
aanklacht aangeklaagd
aanklager
aangeklaagde
Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·kla·gen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanklagen
klaagde aan
kloeg aan
aangeklaagd
klasse 6

zwak -d

volledig

Werkwoord

aanklagen

  1. overgankelijk, (juridisch) iemands handelingen bij een gerechtelijke instantie aanhangig maken.
    • De vechtende mannen werden aangeklaagd door de cafébaas van wie het café was vernield. 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.