aanzwellend

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·zwel·lend

Werkwoord

vervoeging van
aanzwellen

aanzwellend

  1. onvoltooid deelwoord van aanzwellen
stellend
onverbogen aanzwellend
verbogen aanzwellende
partitief aanzwellends

Bijvoeglijk naamwoord

aanzwellend

  1. in omvang toenemend, groter wordend
    • Ook de hoge werkdruk leidt tot aanzwellende kritiek. [1] 
    • Personeel van de IJsselhallen dirigeert de aanzwellende stroom bezoekers rond acht uur richting de concertzaal. [2] 
Synoniemen


Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.


Verwijzingen