dag

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Daagdaag

Universeel

Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstelling van “g” (gram) met het voorvoegsel “da” (deca-)

Symbool

dag

  1. (natuurkunde), (eenheid) het symbool voor decagram, een massa (gewicht) van 10 gram of 0,01 kilogram
Verwante begrippen


Nederlands

Dag en nacht op planeet Aarde
Uitspraak
Woordafbreking
  • dag
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: dach
Oudnederlands: dag
Germaans: *dagaz
Indo-Europees: *dʰegʰ- (branden)
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: day (Angelsaksisch: dæġ), Duits: Tag, (Oudhoogduits: tag), Fries: dei (Oudfries: dei, di)
Noord: Zweeds/Deens/Noors: dag, (Oudnoords: dagr), IJslands/Faeröers: dagur
Oost: Gotisch: dags
enkelvoud meervoud
naamwoord dag dagen
verkleinwoord dagje
daagje
dagjes
daagjes

Zelfstandig naamwoord

dag m

  1. (astronomie) de aanwezigheid van elektromagnetische straling op de door de zon bestraalde helft van een planeet, en die vooral effecten als opwarming en verlichting veroorzaakt
    • In de zomer is het al vroeg dag. 
  2. (tijdrekening), (eenheid) tijd waarin een hemellichaam volledig om zijn eigen as draait (voor de aarde 24 uur)
    • Neem driemaal per dag deze pillen en u bent zo weer op de been. 
  3. (tijdrekening) tijd tussen zonsop- en zonsondergang
  4. dag van de arbeid: socialistische feestdag op 1 mei
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Opmerkingen
Verwante begrippen
Meroniemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [3]: op de dag
overdag
  • [1]: het is kort dag
er is haast bij
  • [1]: aan de dag brengen
bekendmaken
  • [1]: goed voor de dag komen
een goede indruk maken
  • [1]: voor de dag komen
opduiken
  • [1]: pluk de dag
profiteer van gunstige uren/tijden
  • [2]: vandaag de dag
tegenwoordig, in de huidige tijd
  • [2]: de oude dag
de tijd dat men oud is
  • [2]: heden ten dage
tegenwoordig, in de huidige tijd
  • [2]: betere dagen gekend hebben
in slechte staat zijn
  • [2]: dag en nacht
voortdurend
  • [2]: dag in, dag uit
voortdurend
  • [2]: elke dag maar weer
elke dag hetzelfde
  • [2]: een dezer dagen
tegenwoordig, gistereen of morgen
  • [2]: om de andere dag
telkens twee dagen later
  • [2]: voor dag en dauw
zeer vroeg in de morgen
  • [2]: met drie dagen verlengd
drie (kalender-)dagen erbij
  • [2]: juliaanse dag
in astronomie gebruikte doortellende dagnummmering (nieuwe dag begint op de middag)
  • [3]: de langste dag
de dag met de meeste uren licht (zonnewende 21 juni )
  • [3]: het aanbreken van de dag
het opkomen van de zon, het licht worden
  • [3]: het krieken van de dag
het opkomen van de zon, het licht worden
  • [3]: op klaarlichte dag
overdag wanneer het licht is
  • [1]: van de ene op de andere dag
heel plotseling
  • Aken en Keulen zijn niet op één dag gebouwd.
voor een uitgebreide klus heb je meer tijd nodig
  • Als Pasen en Pinksteren op één dag vallen
Iets wat nooit zal gebeuren
  • Een gat in de dag slapen
erg lang uitslapen
  • Elke dag een draadje is een hemdsmouw in een jaar.
als je iedere dag een beetje doet komt het karwei uiteindelijk klaar
  • Elke dag heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.
men moet zich niet zorgen maken over de toekomst
  • Men moet de dag niet prijzen voor het avond is.
pas als alles gedaan is kun je zeggen of het goed ging
  • Sinds jaar en dag (zijn)
al heel lang
  • Voor dag en dauw (zijn)
heel vroeg
  • Werken zolang het dag is
werken zo lang iemand kan
Opmerkingen
  • Alleen de tijdsaanduidingen op -r blijven na een bepaald telwoord in het enkelvoud: drie uur, drie jaar; maar: drie dagen, drie weken, drie maanden.
Vertalingen

Tussenwerpsel

dag

  1. ontmoetingsgroet
    • Dag. Ik ben Jan. 
  2. afscheidsgroet
    • Ik moet gaan. Dag. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • zeg maar dag met je handje
vergeet het maar
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord dag dae


Woordafbreking
  • dag

Zelfstandig naamwoord

dag

  1. (tijdrekening), (eenheid) dag (24 uur)
  2. dag (van zonsop- tot zonsondergang)

Tussenwerpsel

dag

  1. dag (ontmoetingsgroet)
  2. dag (afscheidsgroet)



Deens

Uitspraak
Woordafbreking
  • dag
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoordse woord dagr
Naar frequentie 127
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   dag     dagen     dage     dagene  
genitief   dags     dagens     dages     dagenes  

Zelfstandig naamwoord

dag, g

  1. (tijdrekening), (eenheid) dag (24 uur)
  2. dag (van zonsop- tot zonsondergang)

Meer informatie



Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • dag
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoordse zelfstandige naamwoord dagr
Naar frequentie 125
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   dag     dagen     dager     dagene  
genitief   dags     dagens     dagers     dagenes  

Zelfstandig naamwoord

dag, m

  1. (tijdrekening), (eenheid) dag (24 uur)
    «Året har 365 dager
    Het jaar heeft 365 dagen.
  2. dag (van zonsop- tot zonsondergang)
    «Det er en fin dag
    Het is een mooie dag.
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [2]: dag og natt
dag en nacht

Meer informatie


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • dag
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoordse zelfstandige naamwoord dagr
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   dag     dagen     dagar     dagane  
genitief   dags     dagens     dagars     daganes  

Zelfstandig naamwoord

dag, m

  1. (tijdrekening), (eenheid) dag (24 uur)
  2. dag (van zonsop- tot zonsondergang)
    «Hektisk dag på glattisen: - Eg har ikkje hatt tid til å ete i heile dag
    Een jachtige dag met ijzel: - Ik heb de hele dag geen tijd gehad om te eten!
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [2]: dag og natt
dag en nacht

Meer informatie


Oudnederlands

enkelvoud meervoud
nominatief dag daga
genitief dages dago
datief dage dagon
accusatief dag daga

Zelfstandig naamwoord

dag m [1]

  1. (tijdrekening), (eenheid) dag
    «Tradun mi fiunda mine allan dag
    Mijn vijanden vertrapten mij alle dagen.
Overerving en ontlening

Zelfstandig naamwoord

dag

  1. accusatief mannelijk meervoud van dag

Verwijzingen

  1. Oudnederlands Woordenboek


Turkmeens

Zelfstandig naamwoord

dag

  1. berg


Zweeds

Uitspraak
Woordafbreking
  • dag
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   dag     dagen     dagar     dagarna  
genitief   dags     dagens     dagars     dagarnas  

Zelfstandig naamwoord

dag, g

  1. (tijdrekening), (eenheid) dag
  2. dag (van zonsop- tot zonsondergang)

Meer informatie