decemberdag

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • de·cem·ber·dag
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord decemberdag decemberdagen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

decemberdag m [1]

  1. dag in de twaalfde maand van het jaar
    • Daarbij diende een pop als Diego. Met steun van het Landelijk Video Reconstructieteam en het Korps Landelijke Politiediensten reconstrueerde de technische recherche onder meer hoe lang de moeder die bewuste decemberdag buitenshuis was. [2] 
    • Ties is wel te vroeg geboren. In december twitterde de sprinter nog dat zijn tweede kindje half juni werd verwacht. Op dezelfde decemberdag maakte ook Mark Tuitert bekend dat hij en zijn Helen begin juni een tweede kindje verwachten. [3] 
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen