meerdaags

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • meer·daags
Woordherkomst en -opbouw
stellend
onverbogen meerdaags
verbogen meerdaagse
partitief meerdaags

Bijvoeglijk naamwoord

meerdaags [1]

  1. meer dan één dag durend

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen