achtdaags

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • acht·daags
Woordherkomst en -opbouw
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen achtdaags
verbogen achtdaagse
partitief achtdaags - -

Bijvoeglijk naamwoord

achtdaags

  1. acht dagen durend
    • We gingen op een achtdaagse vakantie naar Spanje. 

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.