sabbatdag

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sab·bat·dag
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord sabbatdag sabbatdagen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

sabbatdag m [2]

  1. (religie) de rustdag voor de joden op zaterdag, de rustdag voor de christenen op zondag
    • Ten noorden van de Oude Stad ligt de Joodse wijk van Praag. Naast vermaard auteur Franz Kafka leefden hier ooit bijna alle Joodse inwoners van de stad. Terwijl het Joodse Museum wel entreegeld vraagt, kun je vrijblijvend sfeer opdoen rond de prachtige architectuur. Vermijd toeristische drukte op zaterdagen, de sabbatdag waarop alle musea gesloten zijn. [3] 
    • De SGP is de politieke uitdrukking van het orthodoxe gedachtegoed, zoals uitgedragen door de uiterst rechter vleugel van het protestants-christelijke volksdeel: mannen en vrouwen die op grond van de Bijbel (“Gedenk den sabbatdag, dat gij dien heiligt”) zwaar tillen aan de zondagsrust. [4] 
    • Om de Palestina-betoging in goede banen te leiden, heeft Antwerpen heel wat ordemaatregelen genomen. De stad vaardigde een samenscholingsverbod uit, ook in de joodse buurt, en roept op tot kalmte. De joodse gemeenschap interpreteert dat op een sabbatdag als een bevel tot binnenblijven en protesteert. [5] 
    • De principes van het bureau zijn neergelegd in een 'bedrijfscode' die niet toevallig tien artikelen heeft; zij zijn een (losse) vertaling van de tien geboden. Zo wordt het vierde gebod - 'onderhoud de sabbatdag' - vertaald als “wij zorgen voor regelmatige rust, reflectie en recreatie”. 'Gij zult niet echtbreken' (zevende gebod) wordt 'wij blijven trouw aan beloften'. En het tiende gebod, 'Gij zult niet begeren uws naasten vrouw', heet 'Wij gunnen een ander zijn verworven bezit'. [6] 
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

85 % van de Nederlanders;
97 % van de Vlamingen.

Verwijzingen