oefendag

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • oe·fen·dag
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord oefendag oefendagen
verkleinwoord oefendagje oefendagjes

Zelfstandig naamwoord

oefendag m [1]

  1. een dag waarop men een vaardigheid kan trainen
    • Bij de marine neemt het aantal vaardagen af. Bovendien kunnen de zeestrijdkrachten minder trainen in het Caribisch gebied. De landmacht heeft minder oefendagen, de luchtmacht minder vlieguren. „Deze maatregelen raken vooral de mogelijkheden om operaties voort te zetten en gelijktijdig uit te voeren”, schrijft minister Hennis (Defensie) aan de Tweede Kamer.[2] 
    • Hulpdiensten plannen acht oefendagen voor Sail: Het grote nautische evenement Sail trekt meer dan een miljoen bezoekers naar Amsterdam. Om goed voorbereid te zijn tijdens het vijfdaagse spektakel dat in augustus plaatsvindt, trekken brandweer, politie, havendienst, Rijkswaterstaat en Waternet acht dagen uit voor een uitgebreide oefening op het IJ.[3] 
    • Het Watersportverbond heeft vorig jaar een pilot sluisvaren in Limburg gehouden: een oefendag voor de leden, waarbij ervaren trainers hen hielpen bij het in- en uitvaren van en aanmeren in de sluiskolk.[4] 
Synoniemen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. de Telegraaf NIELS RIGTER 08 jun. 2016
  3. de Telegraaf 01 apr. 2015
  4. de Telegraaf 25 feb. 2013