Naar inhoud springen

zonlicht

Uit WikiWoordenboek
  • zon·licht
enkelvoud meervoud
naamwoord zonlicht -
verkleinwoord - -

het zonlicht o

  1. (astronomie) de zichtbare elektromagnetische straling van de ster waarrond onze aarde draait
    • De vlaggen van de VOC-schepen hadden de neiging in het felle zonlicht van de tropen te verbleken. 
    ▸ De mannen dragen allemaal een rode sjerp over hun brede borstkas, en de kleur weerkaatst het winterse zonlicht als een serpentine van bloed.[1]
    ▸ Terwijl ze in de met zonlicht gevlekte schaduw staat, trekt het geluid van splinterend hout haar aandacht.[2]
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[3]
  1. ↑
    Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de gouden bocht” (2014), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789021809526
  2. ↑
    Jessie Burton vert. Mieke Trouw-Luyckx
    “Het huis aan de Herengracht” (2022), Luitingh-Sijthoff op Wikipedia, ISBN 9789024586332
  3. ↑ Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be